Reeds voor de zondvloed trekken nakomelingen van Adam vanuit het Midden-Oosten westwaarts tot in Europa. Dit zal omstreeks 4000 v. Chr. zijn geweest.
Dit zijn de jager-verzamelaars die zich in leven houden door middel van de jacht en het verzamelen van eetbare vruchten en planten.
Nederland ziet er op dat moment nog heel anders uit dan nu.
In het westen is Nederland één grote moerasdelta doorsneden door talloze beken, meertjes en veengebieden. Vóór die tijd is Nederland bedekt met ijsvlakten. Het einde van deze IJstijd zorgt voor het smelten van de ijskappen, waardoor de zeespiegel stijgt en in het westen van ons land het waddengebied ontstaat.
De eerste bewoners in ons gebied kiezen de hogere gedeelten als leefgebied. Door het nog warme klimaat is Nederland heel geschikt voor jagers. Het IJsselmeer bestaat nog niet en is een reusachtig veenmoeras. Hierin wemelt het van de watervogels en vissen die een goede voedselbron zijn voor de jager-verzamelaars. Maar ook akkerbouw komt hier en daar al voor (bijvoorbeeld rond Swifterbant). In Limburg ontstaan nederzettingen op de hogere, vruchtbare lössgronden, waar landbouwers de kunst verstaan van landbouw en veeteelt. Zij kennen dus al de situatie dat dieren en planten aangepast zijn aan het leven in dienst van de mens (domesticatie). Men verbouwt emmertarwe, eenkoorn, vlas, erwten, linzenwikke, peulvruchten en papaver. Het gedomesticeerde vee bestaat uit koeien, geiten, schapen en varkens. Men gebruikt ook al waterputten. De boeren wonen in kenmerkend langhuizen (ca. 6-8 m breed en 20-35 m lang) met wanden van vlechtwerk, met leem dichtgesmeerd, en een dak van stro, riet of boomschors. Een gedeelte doet dienst als stal, een ander gedeelte als woonruimte. Gereedschap en wapens worden gemaakt van vuursteen.
De samenleving van de jager-verzamelaars in het noorden en midden wordt de Swifterbantcultuur genoemd, die van de landbouwers in het zuiden de Bandkeramische cultuur.
De naam Bandkeramische cultuur verwijst naar het versierde aardewerk dat deze boeren maken. Zij verstaan de kunst van het pottenbakken. Een grote vooruitgang, want in de potten en kruiken kunnen ze eten bereiden en etenswaren en granen bewaren.
Ook latere culturen worden genoemd naar hun karakteristieke aardewerkvormen.
De Swifterbantcultuur en de Bandkeramische cultuur bestaan tot tegen 3000 v. Chr. Daarna verdwijnen deze culturen.
Na de zondvloed komen opnieuw jagers, vissers en verzamelaars vanuit het Midden-Oosten naar Europa. Zowel in de Bijbelse Geschiedenis als in Algemene Geschiedenis op deze website is beschreven hoe na de torenbouw van Babel de mensen worden verspreid over de aarde. De Jafetieten (nakomelingen van Noach's zoon Jafet) trekken in noordoostelijke en noordwestelijke richting. Uiteindelijk komen zij ook in Europa. Dat zal wellicht omstreeks 3000 v. Chr. zijn. De boeren die zich in en rond ons land vestigen hebben zich al ontwikkeld tot een hoger niveau als die van de eerste bewoners.
Deze landbouwers behoren tot de Trechterbekercultuur. De naam is ontleend aan de trechtervormige bekers van aardewerk. De mensen zijn gemiddeld 1,65 meter lang en worden niet veel ouder dan 35 of 40 jaar. Ze leven in woningen van een houten skelet, muren van gevlochten takken met leem en een rieten dak.
De boeren verbouwen eenkoorn en emmertarwe (voorlopers van onze tarwe) en gerst op de kleine akkers die rond hun huis liggen. De veestapel bestaat uit runderen, schapen, varkens en geiten. Voor het zware werk gebruiken ze ossen.
In deze cultuur ontstaan de bekendste monumenten uit de regionale prehistorie, de hunebedden, megalithische grafkamers. Ze worden gebouwd door de Hunebedbouwers, een tak van de Trechterbekercultuur. De Hunebedbouwers leven op de zandgronden in het noorden van ons land. De granieten blokken voor de hunebedden zijn in de IJstijd in ons land terechtgekomen. De naam "hunebed" is afgeleid van "huynen". In de Middeleeuwen dacht men dat de zware blokken door reuzen (huynen) waren geplaatst. Informatie over de hunebedden kun je vinden in de afzonderlijke presentatie "Hunebedden in Nederland" (link t.z.t.)
Rond 2600 v. Chr. ontstaat de Touwbekercultuur, genoemd naar de touwbeker, een met touwindrukken versierde aardewerkvaas.
Deze cultuur ontstaat onder invloed vanuit het oosten binnendringende Indo-Europese culturen. Er zijn meerdere mengculturen. De Touwbekercultuur wordt ook wel Strijdbijlcultuur of Strijdhamercultuur of Steenhamercultuur genoemd. Dit vanwege de typische stenen strijdbijlen en hamers die in deze cultuur worden gebruikt.
In Nederland ontstaat omstreeks 2550 v. Chr. de Standvoetbekercultuur als variant op deze cultuur. Bij de standvoetbeker blijft boven de voet een brede zone onversierd. Akkerbouw en veeteelt vormden in deze cultuur de belangrijkste bronnen van bestaan. In deze periode ontstaat het gebruik van karren. Men begraaft de doden in een samengetrokken positie in een vlakgraf of onder een grafheuvel. Deze cultuur is ook bekend onder de naam Enkelgrafcultuur. De doden komen in afzonderlijke graven.
Opvolger omstreeks 2500 v. Chr. is de Klokbekercultuur, vernoemd naar het aardewerk waarin een flauwe S-vorm vaag aan een omgekeerde kerkklok doet denken.
De Klokbekercultuur is verspreid in heel Europa, maar in Nederland beperkt tot voornamelijk de Veluwe en oostelijk daarvan. Over hun levenswijze is vrij weinig bekend. Ze zijn goede boogschutters en drijven op grote schaal handel, met ook contacten overzee. In de Klokbekercultuur worden voor het eerst in Noordwest-Europa koperen wapens gebruikt. De Veluwse klokbeker is het absolute hoogtepunt van de gehele Europese Klokbekercultuur. De sierlijke vorm en de vaak uitzonderlijk mooie en uitgekiende decoraties komen we elders in Europa niet zo mooi tegen. Klokbekers worden veel als grafgift meegegeven in grafheuvels.
De Wikkeldraadbekercultuur wordt wel als laatste fase van de Klokbekercultuur beschouwd. Deze cultuur ontstaat vanaf omstreeks 2100 v. Chr. in de vroege Bronstijd. De wikkeldraadpotten worden gedecoreerd met behulp van een stokje of koord waaromheen een draad is gewikkeld. Hiermee ontstaat een op prikkeldraad gelijkend patroon.
In het zuiden van Nederland wordt de cultuur vanaf 1800 v. Chr. opgevolgd door de Hilversumcultuur, welke een grote invloed uit Noord-Frankrijk en Zuid-Engeland vertoont. In het noorden handhaafde de cultuur zich iets langer en ging vanaf 1300 v. Chr. over in de Elpcultuur.
De naam Hilversumcultuur is ontleend aan de vondst van aardewerk in de omgeving van Hilversum. Kenmerkend voor deze cultuur zijn eenvoudige, tonvormige en dikwandige potten. De versiering bestaat meestal uit vinger- en nagelindrukken op de rand, gecombineerd met afdrukken van touw. De Elpcultuur ontstaat onder invloed van de Centraal-Europese grafheuvelcultuur. Reeds tijdens de Hilversumcultuur worden doden begraven in grafheuvels (ondiepe kuilen en bedekt door een lage heuvel). In de Elpcultuur worden de doden gecremeerd. Dit als gevolg van sterke invloed van de Centraal-Europese urnenveldencultuur. Ook de urnen worden bijgezet in lage grafheuvels. De Elpcultuur wordt gekarakteriseerd door aardewerken potten van lage kwaliteit. De cultuur staat bekend om haar gebruik van het langhuis, een boerderij waarbij het woonhuis en het achterhuis onder één dak in elkaars verlengde liggen. Mensen en dieren leven in hetzelfde gebouw.
We zitten in 1300 v. Chr. inmiddels midden in de Grafheuvelcultuur. Grafheuvels in Nederland zijn afkomstig uit zeer verschillende periodes, al wel vanaf 2600 v. Chr. Uit die periode stamt de oudst bekende grafheuvel in ons land, aangelegd bij Apeldoorn (aan het begin van de Touwbekercultuur). Vooral in de Elpcultuur vanaf 1300 v. Chr. nemen de grafheuvels in aantal toe. Concentraties van grafheuvels bevinden zich op de Utrechtse Heuvelrug, op de Veluwe en in Drenthe.
Deze cultuur wordt ook wel aangeduid als de periode van de Koepelgrafbouwers. Deze aanduiding is overigens niet terecht. Een koepelgraf is opgebouwd uit een stenen grafkamer met een gewelf van concentrische steenlagen. De stenen worden op hun plaats gehouden door de druk van de aarde of stenen waarmee het graf bedekt is. Deze komen in Nederland niet voor. Wel verder in Europa.
In deze periode (1300 v. Chr.) begint ook de Urnenveldencultuur. De naam is afgeleid van het gebruik de doden te cremeren in plaats van te begraven. De as wordt in een urn gedaan die dan begraven wordt in een urnenveld. Elke urn wordt individueel gemarkeerd door er een laag heuveltje op aan te brengen. De veranderde begrafenisgewoonte van cremeren houdt ongeveer 400 jaar stand. Vanaf 900 v. Chr. worden de doden weer begraven. De urnenvelden worden aangelegd ter plaatse van de grafheuvels.
Omstreeks 700 v. Chr. worden ook de gebieden aan de west- en noordkust bewoond. Boeren van de zandgronden trekken naar de vruchtbare kwelders en wadden. Zij werpen terpen op om bij hoogwater droog te zitten. Zo ontstaan woonheuvels en terpdorpen in de hele kuststrook van Nederland. We noemen dit de Terpencultuur. Langs de noordkust heten de terpen wierden, in andere gebieden woerden, werven of hillen. De boeren houden koeien en schapen en verbouwen graan, waarbij ook handel ontstaat. Zij gebruiken reeds turf voor hun vuren.
Vanaf 400 v. Chr. trekken Kelten in het zuiden van ons land binnen. De voorouders van de Kelten zijn Indo-Europeanen die rond 1000 v. Chr. vanuit het oosten naar Europa trekken. Uit vermenging met de gevestigde volken van de Urnenveldencultuur ontstaat in Centraal-Europa de Keltische Hallstatt-cultuur (800-500 v. Chr.), in ons huidig Oostenrijk, gevolgd door de La Tène-cultuur
(440 v. Chr. tot het begin van onze jaartelling) in ons huidig Zwitserland. De Keltisch cultuur brengt vooruitgang, er is mijnbouw (zout en ijzer) en er ontstaat handel. De Kelten begraven inmiddels weer hun doden in plaats van hen te cremeren. Omstreeks 500 v. Chr. verspreiden de Kelten zich over een groot deel van Europa. De invloed van de Kelten in ons land is gering vanwege de ligging aan de rand van het verspreidingsgebied. De Kelten zuidelijk van ons land worden Caltae, Keltoi en nog later Gallo-Romanen en Galliërs genoemd.
In Noord-Europa leven in deze tijd (omstreeks 500 v. Chr.) vele opzichzelfstaande stammen, bestaande uit Germanen. Ook deze stammen zijn ontstaan uit vermenging met de Indo-Europeanen die eerder uit het oosten Europa zijn binnengedrongen. De Germanen wonen oorspronkelijk in Scandinavië en rond de Oostzee en Noordzee. Vanwege overbevolking migreren naderhand veel Germaanse stammen naar het oosten, zuiden en westen in Europa. Er ontstaan in de loop van de tijd vele verschillende volksstammen. Door onderlinge strijd verdringen de stammen elkaar voortdurend. Het woongebied van een stam verschuift dan ook in de tijd. Soms verplaatsen stammen zich zelfs over grotere afstanden. Op onderstaande kaart staan (geplot op een ondergrond van onze tijd) de woongebieden van de belangrijkste stammen aangegeven in de 1e eeuw v. Chr., dus in de tijd dat de Romeinse veldheer Julius Caesar oprukt in Europa en ook Nederland bereikt.
In ons land wonen de Bataven, Cananefaten, Friezen, Chauken, Chamaven, Amsivariërs, Saliërs, Tubanten en Usipeten. Deze Germaanse stammen leven heel eenvoudig. De mannen jagen en vissen veelal of zijn aan het oorlog voeren. Slaven (krijgsgevangenen) bebouwen onder toezicht van de vrouwen het land. Ze leven in primitieve hutten. Veeboeren leven in wat grotere huizen. De bevolking is in klassen ingedeeld: de edelen, de vrije boeren en de slaven. De Germanen staan als eerlijk, trouw, gastvrij en dapper te boek. Ze dienen vele goden, aanbidden hen in de heilige wouden en priesters offeren soms zelfs mensenlevens.
De Bataven leven oorspronkelijk in Duitsland als onderdeel van de Chatten in het huidige Hessen ten noorden van Frankfurt. Na een conflict scheidt een groep zich af en vestigt zich in de huidige Betuwe. De Bataven zullen later een belangrijke rol vervullen in de Romeinse legers als elitetroepen en keizerlijke lijfwachten.
De Cananefaten wonen westelijk van de Bataven aan de Noordzeekust. Wellicht zijn de Cananefaten verwant aan de Bataven, mogelijk vermengd met Kelten. Ook de Cananefaten leveren later mannen aan het Romeinse leger. Ze bieden met een ruitereenheid zelfs hulp aan de Romeinen in de strijd tegen de Friezen.
De Friezen hebben zich tot een eenheid gevormd uit de volken die naar de kuststrook zijn getrokken. Zij bewonen de hele Noordzeekust noordelijk van de Cananefaten tot aan de Hunze (het tegenwoordige Reitdiep), grenzend aan de Chauken. Later zullen de Friezen het kustgebied bewonen tot in Denemarken. Er is dan naast Friezen (in het huidige Friesland) sprake van West-Friezen, Oost-Friezen en Noord-Friezen. Om zich tegen hoog water te beschermen werpen de Friezen terpen op, waarop ze zich veilig kunnen terugtrekken.
De Chauken wonen oostelijk van de Friezen, in het gebied tussen de Elbe en de Hunze aan de Noordzeekust. Op Nederlands grondgebied wonen de Klein-Chauken (tussen de Hunze en de Weser), oostelijk daarvan op Duits grondgebied de Groot-Chauken (tussen de Weser en de Elbe). De Chauken zijn veel op weg om te strijden tegen andere Germaanse stammen. Ze zullen later zelfs als bondgenoot van de Romeinen strijden, maar ook samen met de Cananefaten de Belgische kust afstropen. Samen met de Bataven nemen ze het daarna als vurige vechters op tegen de Romeinen. Ze verdrijven de Chamaven en Amsivariërs, hun buurstammen, die elders een woongebied moeten zoeken. De buurstam Angrivariërs worden later een deelstam van de Chauken. De Chauken zelf trekken uiteindelijk naar het oosten en worden een deelstam van de Saksen.
De Chamaven wonen in het noorden van ons land, zuidelijk van de Friezen en de Chauken. Ze worden echter, onder meer door de Chauken, verdreven naar het zuiden en gaan aan het einde van de eeuw wonen op de Veluwe en in de Achterhoek tot in Duitsland. Daar verdrijven ze de buurstam Bructeren die opschuift naar het zuiden. De Chamaven worden later onderdeel van de Salische Franken. Ze leveren ook een Romeinse legereenheid.
De Amsivariërs wonen in het stroomgebied van de Eems, ten zuiden van de Chauken en Chamaven. Op zowel Nederlands als Duits grondgebied. Ze worden echter door de Chauken verdreven. Ze hebben veel moeite een nieuw woongebied te vinden, want ze worden door de overige Germaanse stammen als indringers beschouwd. We komen de Amsivariërs verder in de geschiedenis dan ook amper tegen. Ze worden opgenomen in de latere Franken.
De Saliërs en Tubanten wonen in het huidige Overijssel. De Saliërs in het westen (rond Zwolle), de Tubanten in het oosten (Twente). De Saliërs vormen een los stamverband. Ze worden later verdreven door de Saksen en verplaatsen zich als Salische Franken naar de Betuwe (tussen de Bataven) en het Belgisch kustgebied. De Chamaven hebben hen waarschijnlijk uit het Bataafse gebied verdreven. Uit de Salische Franken komen later de Merovingen voort, een dynastie van Frankische koningen. Over de Tubanten is bekend dat ze, samen met andere Germaanse stammen, veel strijd leveren tegen de Romeinen. De Tubanten gaan later op in het groter stamverband van de Saksen.
De Usipeten trekken rond in het huidige Noordrijn-Westfalen. Hun gebied grenst aan onze provincies Limburg, Gelderland en Overijssel. Ze zijn voortdurend op de vlucht en zijn ongetwijfeld ook op ons grondgebied te vinden. Later verdrijven de rondtrekkende Sueben hen. Ze kunnen zich moeilijk handhaven. Uiteindelijk gaan de Usipeten op in een nieuw stamverband met de Franken.
Beneden de Rijn wonen in het zuiden van ons land en op Belgisch grondgebied een aantal Keltische stammen, waaronder de Eburonen, Menapiërs, Frisiavones en Tungri. Van deze stammen zijn de Tungri van oorsprong Germaans, ze komen van benoorden de Rijn. Van de Frisiavonen is dat niet zeker. De stammen zullen zich gemengd hebben met de Kelten. Vandaag rekenen wij ze tot de Keltische stammen. De Eburonen (centrum in Tongeren) wonen voor een deel ook in ons land. Zij zullen onder leiding van hun stamhoofd Ambiorix later flink strijd leveren tegen de Romeinen. Uiteindelijk worden ze toch grotendeels uitgeroeid door de Romeinen. De Tungri vestigen zich in het gebied van de Eburonen. De Menapiërs wonen in het kustgebied, in een onherbergzame streek. Het is omstreeks deze tijd (zo'n 50 v. Chr.) dat Julius Caesar het gebied van de Menapiërs wil veroveren. Door de vele moerassen en bossen die er zijn, is dit echter niet gemakkelijk. Uiteindelijk komen de Menapiërs wel onder het gezag van de Romeinen. Over het woongebied van de Frisiavones is geen duidelijkheid. Wellicht in het gebied oostelijk van de Menapiërs en de Cananefaten tot aan het gebied van de Bataven. Of er een relatie is met de Frisii (de Friezen) is niet genoegzaam bekend. Mogelijk zijn ook de Frisiavones later uiteindelijk opgegaan in het nieuw stamverband met de Franken.
Uitleiding Eerste bewoners van Nederland
Deze paragraaf over de eerste bewoners van Nederland geeft de ontwikkeling weer van de jager-verzamelaars, de bekervolken en de Germaanse en Keltische stammen. Het betreft de periode vanaf het begin (circa 4000 v. Chr.) tot tegen de start van onze jaartelling (circa 50 v. Chr.). De bevolking is op dat moment nog niet groot, wellicht zo'n 100.000 inwoners. Ze leven van de landbouw en veeteelt. De Germanen zijn zeker godsdienstig, maar naar we weten dienen ze niet de God van hun voorvader Jafet. Ze dienen en aanbidden immers vele natuurgoden.
Om het geheel van dit eerste deel van de Vaderlandse Geschiedenis te overzien, geven we hier het overzicht in de vorm van de tijdlijn via document "Tijdlijn 1 Vaderlandse Geschiedenis" De informatie in deze paragraaf heb ik samengevat in beeld gebracht in de presentatie "Eerste bewoners in Nederland". Daarin staan ook nadere details en meer overzichtelijke kaarten.
Dit deel van de Vaderlandse Geschiedenis over de "De eerste bewoners"
wordt gevolgd door het deel dat we zullen noemen
"Romeinen tot Graven in ons land"