
Als er in vulkanische gebieden ondergronds water aanwezig is, kunnen er warmwaterbronnen voorkomen. Het water wordt verhit door het contact met of beïnvloeding door het hete magma.
Het water kan hierdoor zelfs zodanig opwarmen dat het verandert in stoom. In vulkanische gebieden op de breuklijnen veroorzaakt dit warmwaterpoelen en stoomwolken. Het water in de poelen kan zo heet zijn, dat er eieren in gekookt kunnen worden. Vaak gaat dit in combinatie met de zwavelbronnen door de aanwezigheid van zwavel in deze vulkaangebieden.
De openingen in de aardkorst waar gassen en dampen uit ontsnappen worden fumarolen genoemd (Latijn: fumus = rook). Deze gassen of dampen bestaan voornamelijk uit waterdamp en kooldioxide, maar er kunnen ook giftige stoffen bij zitten zoals waterstofchloride, waterstoffluoride of waterstofsulfide.
Waar fumarolen sterk zwavelhoudend zijn, noemen we ze solfataren. Ze bevatten dan zwaveldioxide of zelfs zwaveltrioxide, waterstofsulfide of het dampvormige zwavel zelf. Soms wordt er zuiver zwavel afgezet op de randen van de solfatare.
In bijzondere gevallen schiet de ontwikkelde stoom als een stoomstraal uit de grond. Dit is het geval bij sommige hotspots. Dit zijn de geisers zoals die voorkomen in IJsland en in het Yellowstone National Park in Amerika. Geisers spuiten op min of meer gezette tijden een mengsel van heet water en stoom de lucht in. Het is een natuurlijke heetwaterbron, te beschouwen als een vulkanisch verschijnsel. In Yellowstone ligt een supervulkaan onder het geysergebied.
Bekijk de presentatie "Bronnen en Geisers".