De op zichzelf staande aardplaten betreft de lithosfeer, bestaande uit de aardkorst en het harde deel van de aardmantel (zie de aardbol). De dikte van deze aardplaten varieert met een gemiddelde van zo'n 150 km.
Er zijn zeven grotere platen en een tiental kleinere (zie figuur "Platentektoniek 1").
Deze drijvende platen bewegen in sommige gevallen naar elkaar toe (convergerend), in andere gevallen van elkaar af (divergerend). Zie figuur "Platentektoniek 2". De verplaatsing is veelal 1 cm per jaar, maar dit kan oplopen tot wel 7,5 cm per jaar.
Waar de platen naar elkaar toe bewegen (bij convergerende platen) botsen ze tegen elkaar aan en schuift de ene plaat onder de andere. Hierbij ontstaan spanningen door druk en hitte. Op deze plaatsen ( de subductiezones) ontstaan gebergten en vulkanen.
Een verklarend overzicht is te zien in figuur "Gevolgen convergerende aardplaten".
Er zijn plaatsen in de wereld waar de gevolgen van convergerende aardplaten heel dominant aanwezig zijn. Dit is vooral het geval in de zogenaamde Ring van Vuur rond de Grote Oceaan. Deze loopt vanaf New Zeeland via Indonesië, de Filippijnen, Japan en Oost-Rusland naar de kust van Canada, Noord-Amerika, Midden-Amerika en Zuid-Amerika. Zie figuur "Ring van vuur". Dit zijn de gebieden met veelvuldige vulkaanuitbarstingen en aardbevingen.
Divergerende platen( uiteengaande platen) komen alleen voor in het midden van oceaanbodems. Tussen de platen ontstaat ruimte die opgevuld wordt door magma. Dit opstijgende magma stolt op de oceaanbodem en vormt daar een nieuwe aardlaag. Oudere korsten worden daarentegen de mantel weer ingetrokken. Dit proces herhaalt zich steeds. Er ontstaan oceaanruggen met lavameren, kussenlava en veel vulkanisme. Door de grote waterdruk in de oceaan zijn de vulkaanuitbarstingen van rustiger aard. De oceaanbodems zijn overwegend met basalt en gabbro bedekt.